Die goeie ouwe tijd.

 

De plek waar je geboren ben.

Is je dierbaar in herinnering

Waar je bent opgegroeid.

Waar je hebt gespeeld

Waar je kattenkwaad uithaalde.

Waar je dwaalde over de weide.

Waar je over sloten sprong.

Waar je naar school ging.

Herinnering aan het gebouw.

Waar je dwaalde door de gangen.

De bakker naast de school.

De winkel met de blokken ijs.

De duif in de straat.

Snoepen van de wilhelmientjes.

De fotograaf voor het gezin.

De sigarenboer war je kwam.

Om tabak te halen voor vader.

Met Rizla vloei en plaatjes.

Van alle vogels in de wereld.

De winkel waar je kon kopen.

De spijkers per ons.

De boekhandel waar je kon neuzen.

In boeken die te duur waren.

En maar leren uit die boeken.

De herinnering is levend.

De lange weg naar huis.

Door weer en wind.

En weer naar de weilanden.

Over de sloten.

Palingdraaien in de ringvaart.

Boeren plagen met klein kattenkwaad.

Het is voorbij.

Het is alleen nog herinnering.

De winkels zijn verdwenen.

Of veranderd en niet meer mijn dorp.

Waar je geboren ben.

Toch kom ik er graag.

Om te praten over die goeie ouwe tijd.

Met vrienden en volkomen vreemde.

Maar zou ik er nog kunnen wonen.

Het antwoord is heel simpel.

Alles is verdwenen.

Het huis waar ik geboren ben.

Al de huizen waar herinnering ligt.

Zijn verdwenen voor.

Betonnen kolossen, huizenhoog.

Er zijn geen weiden meer.

Geen sloten om te springen.

Veel ouds is vervallen.

Of weggevaagd.

Voor de moderne tijd.

Laat mij herinnering koesteren.

Aan die goeie ouwe tijd.

Zoetermeer is niet meer van mij.

Het is een vreemde stad.

Met vreemde mensen.

Ze praten over zaken.

Waar ik niets mee heb.

Daarom koester ik de site.

Die goeie ouwe tijd.

Met foto's van toen.

 

 

JOH.

 

Mantelzorg.

 

Verzorgen zat hem in het bloed onder.

Werken voor het gezin.

De kinderen hielden van hem.

En hij hield van hen.

Knuffelen bij ziekte

Dat deed hij en ook zijn vrouw.

Een gelukkig gezin.

Hij voelde zich vrij.

Vakantie met zijn vieren.

Met vrouw, dochter en zoon.

Naar landen met veel bergen.

Waar iedereen genoot.

De kinderen werden ouder.

De puberteit voorbij.

Dat gaf nog wel eens wrijving.

Maar ook dat ging weer voorbij.

De kinderen, ze trouwde.

Beide in het zelfde jaar.

Na drie jaar kwam het kleinkind.

En later nog een paar.

Hij had wat rust gekregen.

Hij werkte nu niet meer.

Samen op vakantie.

Naar landen van weleer.

Plots sloeg het noodlot toe.

Zijn vrouw werd ernstig ziek.

Verdween in het ziekenhuis.

Na vele weken kwam zij thuis.

Een schim van de kloeke vrouw.

Verzorging had zij nodig.

Dat nam hij op zijn schouders.

Drie jaar werd hem gegeven.

Tot zij in zijn armen overleed.

Hij belde beide kinderen.

Waarna hij zelf verdween.

Het leven had voor hem geen zin meer.

Geen zorg meer, geen bestaan.

Hij had in heel zijn leven,

Voor anderen klaargestaan.

Op de begraafplaats.

Onder die mooie linde.

Was hij anoniem, komen kijken.

Niemand herkende hem.

Hij werd zelfs verwijderd.

Een zwerver hoorde niet daar.

De kinderen herkende hem niet meer.

Na niet meer dan de vijf dagen.

Niemand kon vermoeden.

Dat zijn leven geen nut meer had.

Geen mantelzorg meer.

Iedereen die hem roemde.

Vertrouwde hem niet meer.

Zijn vrouw was overleden.

En iedereen gaf hem de schuld.

Hij kende de mensen goed.

Daarom was hij verdwenen.

Na jaren zat hij berooid op straat.

Tot een meisje van een jaar of tien.

Hij herkende haar opslag.

Zij ging naast hem zitten.

En vertelde. U lijkt op opa.

Die had mooie blauwe ogen.

Hij is verdwenen toen oma overleed.

De tranen sprongen in zijn ogen.

Een week lang kwam zij elke dag.

En bracht eten voor hem mee.

Ze was heel zorgzaam en heel lief.

Het zat vast in haar gene.

Hij vroeg haar echt van alles.

Over haar moeder en haar zusje.

Mamma heeft veel gehuild.

Toen opa was verdwenen.

Vertelde de kleine meid.

Toen moest hij wel vertellen.

Dat hij haar opa was.

Hereniging op straat met alle,

Die hij liefhad maar niet wou belasten.

Met liefde werd hij teruggehaald.

Naar de warmte van een thuis.

Ze zorgde dat hij niets tekort kwam.

Het verleden kon zich herhalen.

Hij werd verzorgt met liefde,

van een warm gezin.

Ging met hen op vakantie.

En genoot van elk kleinkind.

Zo kon hij weer opa en vader zijn.

En genieten van de oude dag.

Dat deed hij ook met volle teugen.

Elke mooie dag.

 

 

John o Hair.

 

Dad

 

 

 

I will see you like a film.

Jumping like a kid.

Swimming like a Fish.

Talking like a man of the world.

I will remember you like a film.

Moving and talking.

In my memory.

I will see you fishing on the lake.

Sitting on the boat.

Looking over the water.

Telling story's about,

Things that happend many years ago.

Talking with you,

is learning things.

That i never know before.

Walking in the garden of your memory's.

Now your gone.

I can't talk no more with you.

Living in my mind, like a film.

I will remember you like a film.

Moving and jumping.

Telling joke's

Yes remember, like a film.

Not like a picture.

Standing stil on paper.

No jumping, no moving.

I will remember you like a film.

 

JOH.

 

Nostalgie.

 

Nostalgie uit mijn geboorte dorp.

Het leven van toen.

Die goeie ouwe tijd.

Daar was mijn prille jeugd.

 

Wij zoeken met z'n alle.

Naar vervlogen tijden .

Om herinneringen te vinden.

Het mooie van toen.

De oude huizen uit de jeugd.

Terug dromen aan die tijd.

De tijden met opa's en oma's

De gezellige avonden met ouders.

Een spelletje op de tafel.

 

Nostalgie uit mijn geboorte dorp.

Het leven van toen.

Die goeie ouwe tijd.

Daar was mijn prille jeugd.

 

Al tijd maar bezig bij boeren.

Paardrijden op en bels.

Onderzoeken in het klooster.

Koeien melken bij Rien.

Bij de tuinders tomaten,

komkommers en bloemen.

Klussen in weer en wind.

Naar school in de sneeuw.

Niemand klaagde in die tijd.

 

Nostalgie uit mijn geboorte dorp

Het leven van toen.

Die goeie ouwe tijd.

Daar was mijn prille jeugd.

 

Naar de film bij Toon Europa

Op de markt bij de viskraam.

En koekjes kopen bij Vogel.

Ook zoeken naar vertier.

De mooie plekjes bezoeken.

De Watertoren, De grote kerk.

ijsjes halen bij Jamin.

Koekkruimels bij de Duif.

Proeven bij de kaasboer.

 

Nostalgie uit mijn geboorte dorp

Het leven van toen.

Die goeie ouwe tijd

Daar was mijn prille jeugd.

 

Het leven van die tijd was goed.

Je wist niet beter

Toen noemde ze het kattenkwaad

Nu heet het vandalisme.

 

Nostalgie uit mijn geboorte dorp

Zoetermeer van toen.

Die goeie ouwe tijd

Daar was mijn prille jeugd.

 

 

John o Hair.

 

Tegenslag.

 

Zij storten zich schuimend op het zand.

Keer op keer.

Onder het toeziend oog,

van de ondergaande zon.

Zo is het leven.

Het wordt geteisterd.

Door golven van tegenslag.

Vaak gaat het goed.

Maar soms stormt het.

En maakt het leven tot een hel.

Dan verdwijnt de zin in het leven.

Onder de golven van tegenslag.

 

Joh.

Verdriet en angst. 

 

Het is slopend.

Verberg het niet. 

Angst voor gevolgen.

Verdriet door tegenslag.

Vergissen in mensen.

Waarom teneeergeslagen.

Sta op en zeg wat je denkt.

Verdriet moet je overwinnen.

Angst, het hoofd bieden.

Vertrouw iemand.

Niet allen zijn eender.

Als het komt door egoïsme.

Verteld het de egoïst. 

Komt het door tegenslag.

Bied dat het hoofd.

Verdriet is altijd zichtbaar. 

Angst kan je zien.

Zie het in, en overwin.

 

Joh.

 

Een Blik .

 

Een blik in kleine oogjes.

De oogjes van een kind.

Doen je beseffen.

Dat je geen kind meer bent.

Een kind wil je graag wezen.

Zo aanhankelijk en klein.

Wat is daar van de reden.

Om van verantwoordelijkheid af te zijn.

 

JOH.

 

Het leven kan je niet beheersen.

Verdriet kan je niet negeren.

Dromen moet je blijven koesteren.

Liefde in je hart bewaren.

Tegenslagen overwinnen.

Steeds opnieuw beginnen.

Al zit het soms wat tegen.

We moeten verder in dit leven.

 

 

John o Hair.

 

 Te laat.

 

Tranen sprongen in mijn ogen.

Toen ik je briefje las.

De letters danste in mijn geest.

Veel te laat zoals ik lees.

Eens heb ik jou verlaten.

Mijn liefde zat heel diep.

Maar jij kon mij niet vergeten.

Zo lees ik in je brief.

Na maanden van veel twijfel.

En telefoontjes keer na keer.

Vroeg ik je niet meer te bellen.

Dat deed je ook niet meer.

Toen was je briefje aangekomen.

Ik legde hem ongeopend neer.

Twee weken had ik niet gekeken.

Toen kwam het vreselijk bericht.

Jij was nu niet meer in leven.

Je verdronk daar bij de brug.

Toen maakte ik je briefje open.

En wat ik las deed mij heel zeer.

Je zag het leven niet meer zitten.

Je wilde echt niet meer.

Tranen sprongen in mijn ogen.

Daarom besef ik nu.

Ook al was ik niet meer bij je.

Ik nog altijd van je hield.

Te laat en vol berouw.

 

 

JOH

 

 De liefde zit van binnen.

 

Lachend fietste zij naar school.

Zoals ze iedere dag deden.

Tieners waren het, bruisend van leven.

Het leven kon voor hen niet beter.

Maar plotseling was daar het eind.

Een auto kwam op hen ingereden.

De chauffeur bezopen en onbekwaam.

Ze werden weggemaaid van straat.

Twee meisjes kwamen om het leven.

De derde was zeer zwaar verminkt.

Maanden heeft zij zich moe gestreden.

En kijkt nu verdrietig naar haar been.

Veel is er niet van overgebleven.

Een stompje en een prothese.

Haar moeder zei, “meisje treur niet om de buitenkant.

De liefde zit van binnen.

Zij had genoeg van dit leven.

En zocht naar een manier.

Om zich het leven te ontnemen.

De therapie bracht haar redding.

Ze sprak een jongen die daar zat.

De jongen miste beide benen.

Zij was dus wel het beste af.

Zij gaf haar gedachte aan hem over.

Wie wil mij nog zoals ik ben.

De jongen zei,

"Zo dacht ik er ook eens over.

Maar meisje treur niet om de buitenkant.

De liefde zit vanbinnen.

Ja, de liefde zit vanbinnen.

Geen dokter haalt dat weg.

JOH. 

 

Zoektocht.

 

Zoeken naar God.

Is een levensweg.

Een lijdensweg.

Vol vreugde en verdriet.

En heb je hem gevonden.

Verlies je hem weer.

Door tegenslag en pijn.

Zo is het leven.

Zo zal het altijd zijn.

Vind je god in een kerk,

of op straat.

Of als het leven tegenstaat.

Pijn doet soms vergeten.

Dat god echt bestaat.

 

JOH.

 

Alone.

A house full of people.

Lot of people on the street.

Noise everywhere.

And i am alone.

Kids in the garden.

Birds in the sky.

A lady on my side.

And i am alone.

Cars on the street. 

Airplanes on the air.

A kid on my knee.

And i am alone.

Nobody will help me.

Nobody understand.

And i dont no.

Why i am alone.

So many tears.

I miss my kid.

Try to understand.

I am alone.

 

JOH

 

Go never back.

 

Never can i live on the place.

Where i grow up.

To many people.

To many sound.

 

I have make a good time.

In the place where i grow up.

I play in the field.

And make friends.

Play in the water .

And the open country.

There was a lot of room.

 

Never can i live on the place.

Where i grow up.

To many people.

To many sound.

 

In the winter a lot of ice.

And much of snow.

A lot of fun.

But the things dont come back.

The buildings grow.

On the place i grow up.

The friends are run away.

 

Never can i live on the place.

Where i grow up.

To many people.

To many sound.

 

So many people die.

There are no more fields.

It depres me.

When i go there.

But i try to make new friends.

To pick up memory's

But i never come back.

 

Never can i live on the place.

Where i grow up.

To many people.

To many sound.

 

 

JOH

 

Verlangen naar toen.

 

Het huisje waar ik geboren ben.

Het staat er nu niet meer.

Het nummer kan ik wel dromen.

Het was een heel klein huisje. 

Met de wc achter het huis. 

Een douche was niet aanwezig. 

Er werd gewassen in een teil.

Een tuin met alle groenten. 

Genoeg voor het hele jaar. 

En ook ruimte om te spelen. 

Met water om te vissen.

Dat was niet zonder gevaar. 

Als klein onwetend ventje. 

En zussen met grappen klaar. 

Wat zij mij toen vertelden. 

Dat klinkt een beetje raar. 

Op kroost daar kon je lopen.

Het was gras ging het verhaal.

Ik was bijna verzopen.

Maar mijn zussen hielpen graag.

De zandbak was een grote. 

Door vader zelf gemaakt. 

Daar kon je kastelen bouwen.

Een ander moois en fraais. 

De wereld was niet groot. 

Maar veel te doen en graag. 

De boeren vaak gaan helpen. 

Met koeien en het graan. 

Toen werd het huis iets groter. 

De bedstee ging eraan .

Het bleef er steeds gezellig. 

En iedereen schoof aan.

Waar acht mensen kunnen eten. 

Kunnen tien man ook bestaan. 

Dus altijd heel veel mensen. 

En vrienden van de school. 

Zij konden blijven eten. 

Dat was het hele bestaan.

Door zo te kunnen leven.

Om zo te blijven bestaan.

Dat vormde wel mijn leven.

Het heeft mij goed gedaan. 

De wereld is veranderd. 

Tijd is een manier van leven.

Daar werd toen niet aan gedaan.

Nu moet een ieder jagen.

De rust is meegegaan.

Met al die oude mensen.

Die ons zijn voorgegaan.

Er is een generatie van rust. 

Bij ons nu weggegaan.

Het jachten is begonnen. 

In verkeer en overal.

Dan komt weer het verlangen.

Naar het ouderwets bestaan. 

Van ingemaakte bonen.

En andijvie uit het zout. 

De zuurkool uit het vaatje. 

De avond met zo'n allen. 

De bonen pellen gaan.

Zo. was het mooie leven. 

Dat niet meer kan bestaan.

Daar moet je dan mee leven.

Je moet toch verdergaan.

 

 

John o Hair.